Ik ben dus Radicaal Orthodox….?

Deze column stond 29 maart 2001 in Trouw.

Fantastisch zo over God durven praten…

RADICALE ORTHODOXIE
Jean-Jacques Suurmond

Is een geestelijke die een stuk brood heft met de woorden: ‘Dit is mijn lichaam’ niet even gek als iemand die een Edammerkaas omhooghoudt en zegt: ‘Dit is de maan’? Dat vraagt Graham Ward die behoort tot de ‘Radicale Orthodoxie’, eigenlijk de enige interessante nieuwe theologische beweging. Deze ontstond in de jaren negentig in Cambridge en zet brutale stappen die veel vragen oproepen. Een theologie met ballen.

Als Christus een brood neemt en zegt: ‘Dit is mijn lichaam’ gebeurt er inderdaad iets geks. Ons begrip van zijn lichaam wordt enorm uitgerekt. Als het een brood kan zijn, kan het van alles zijn: de kerk, ja zelfs ‘alles in de hemel en op aarde’, zegt de Bijbel. Het lichaam van Christus kan dat van Burt Reynolds zijn, de eerste filmster die zijn gespierde lijf ‘hard als een erectie’ showde in een vrouwenblad, maar ook dat van de zieken en gehandicapten, van homo’s die sterven aan aids, van eenzame ouderen en kinderen die worden misbruikt.

‘Dit is mijn lichaam dat voor jullie gegeven wordt,’zegt Jezus voluit bij het laatste avondmaal. Een lichaam stelt in staat om te geven en te ontvangen. Daarmee neem ik bijvoorbeeld eten tot me, ontvang de liefkozing of kritiek van een ander, geef mijzelf in deze columns, in mijn werk of in de liefde, of vul mijn opgave voor de belastingdienst in. En als mijn lichaam ergens ook dat van Christus is, is er steeds weer verrijzenis, een inspirerend nieuw begin mogelijk.

Ward illustreert dit aan de hand van de film The Full Monty. Die gaat over een groep fabrieksarbeiders die door werkloosheid in sociaal, politiek en fysiek opzicht impotent zijn gemaakt. Om wat geld te verdienen, besluiten ze een avond te gaan strippen in het plaatselijke café. Ze krijgen voor hun naakte lijven groot applaus dat hen zichtbaar goed doet. Ze zijn geen losers meer maar ‘er vindt een opstanding van het mannelijke lichaam plaats, een verlossing’. Bij de aftiteling klinkt het lied ’I Believe in Miracles’.

Deze aandacht voor het lichaam en andere aspecten van het dagelijks leven, geeft de Radicale Orthodoxie iets verfrissends. Religie leeft volgens Ward ‘in commerciële bedrijven, in ‘gothic’ en sciencefiction fantasieën, in fitness clubs, in bars voor doelgroepen en in architecturale design, onder ‘happy hour’ drinkers, tatoeëerders, milieu activisten en cyberpunks.’

Vandaag zien we in de samenleving echter een scheiding tussen religieus en seculier. Het geloof is naar de privésfeer gedrongen. Politici willen religieuze uitingen in het openbaar weren (moet omgekeerd de kerk dan seculiere symbolen, zoals een lintje, in de kerkdienst verbieden?). Geloven is een hobby geworden, zoals vliegtuigen spotten: zinvol voor jezelf maar zonder betekenis voor de rest van de wereld.

Deze splitsing tussen religieus en seculier is het gevolg van een theologisch bedrijfsongeval in de middeleeuwen. God werd op oneindige afstand van de wereld geplaatst, die zo in haar seculiere uppie kwam te staan. De Radicale Orthodoxie grijpt daaroverheen terug naar de vroege christelijke visie van de wereld als de voortgaande schepping van God. Die staat niet los van hem maar is van moment tot moment zijn gave. Door ons lijf nemen we deel aan deze dynamiek van geven en ontvangen. We zijn een bezield lichaam en een belichaamde geest.

De seculiere maatschappij – inclusief de scheiding tussen lichaam en geest – is de vrucht van een ‘slechte theologie’. Goede theologie is geen wetenschap naast de andere. Wetenschappers willen ‘alles van iets’ weten: van de platte slijkgaper tot de planeet Saturnus. Theologen willen daarentegen ‘iets van alles’ begrijpen – namelijk hoe de wetenschappen maar ook de kunsten, cultuur en politiek betrokken zijn op de gevende God. Nu snapt u waarom een bundel van deze columns verdacht veel op een vlooienmarkt lijkt.

Door de scheiding tussen religieus en seculier is de theologie een kwijnende, binnenkerkelijke zaak geworden. Ze lijdt aan ‘valse bescheidenheid’ zegt John Milbank, de pionier van de Radicale Orthodoxie. In de berm van de maatschappij spreekt ze over krakeeltjes en korenbloempjes hemelsblauw.

Anderzijds is de samenleving afgesneden van haar religieuze bronnen en wantrouwig naar binnen gekeerd. In de steden verdringen zich de geseculariseerde lichamen, zwaaiend met een spandoek of woekerpolis, werkzoekend of beroofd van passend onderwijs, scheldend op homo’s of hoofddoekjes, gestrest of depressief, zinzoekend in aroma therapie of met 130 kilometer per uur wegscheurend van de leegte. Ach, laat mij een geïnspireerd, bezield lichaam zien en ik druk het de hand.

Laatst riep een actiebrief predikanten op tot meer maatschappelijke betrokkenheid. Het is tijd voor verrijzenis. Tijd dat het lichaam van Christus in de samenleving opgewekt wordt. Tijd dat gekke theologen met een stuk brood de straat opgaan, het hoog boven de winkelende massa houden en roepen: ‘Jullie zijn mijn lichaam dat voor de wereld gegeven wordt’.

God.. Ja ‘God’ is ‘mijn ding’….

Mijn ziekte zijt Gij (Huub Oosterhuis)

Het oudste en het langste blok van mij boeken kast gaat over God/god/. Whatever that may be… Ik kan me niet herinneren of ik was daar mee bezig. Maar dan wel als een vanzelfsprekende aan/afwezigheid. De eerste jaren een Lastpak van hier tot Tokio. Een bijzonder angstaanjagende, veeleisende, egocentrische en onaangename seigneur..; zonder humor. Met was geen leven; zonder was de hel…. Ik was mij bewust van het levensbelang maar er iets mee kunnen? En dan de corrumpering daarvan door mijn karakter/ opvoeding/ genen/ cultuur/…. Angst… ‘Verwerping’. Ik las Kohlbrugge, Karl Barth, Miskotte en luisterde naar ds. Kool; de laatste hielp echt. Ik las alles van de evangelischen maar het hielp niet echt. ‘Niets hielp op langere termijn’. Het moest anders zijn dan ik dacht. Leerde iets van Job, Jakob, de godsverlatenheid van Jezus; het niet gered worden! Voor mij is door de tijd heen het geloof in God iets geworden van een gevecht om.. / tegen beter weten in… Het me niet neerleggen bij de ‘feiten’ van… Maar ook van niets hebben / niets weten / niets kunnen..

Pas veel later kreeg het trekken van tederheid en liefde . Is die ‘God’ nu hiermee alleen maar iets tobberigs? Nee, daar is wel iets in veranderd; vooral door Merton.  Nu lees ik het liefst iets van/over Eckart, Zen, Julian van Norwich (ligt klaar om te lezen); de ‘Wolk van niet weten…’ Een theologie van niet weten en toch! En hopelijk ook een beetje humor.

Deze teksten van Huub Oosterhuis gaven mij lucht in die tijd; hier leefde ik van…. Soms dachk ik van: ‘kom ik ooit verder dan dit?’ Maar ze raken me in essentie nog steeds!

Om antwoord

Ik zal mijn mond niet houden tegen u
– waarom zou ik?
Onrustig, droef,  opstandig, schamper
is mijn hart in mij

Wie zijt gij dat ik u belangrijk vind
dat ik aan u denk iedere dag
dat ik mij toets aan u?

Draai toch eindelijk je ogen
van hem af, zeggen ze tegen mij
– maar dan heb ik geen antwoord

Nooit heb ik niets met u

Tegen bijna beter weten in
stel ik mijn hoop op u
Mijn lot is levenslang
wachten op u

Leven met een dode, zelfbedachte,
onzichtbare geliefde –
waarom zou ik
u niet opgeven?

Maar ik kan niet anders
dan roepen: heb mij lief

(Gebeden en Psalmen; 224)

Hebt mij lief

Hoelang nog?
Heb je mij uit je gedachten gebannen?
Je ontloopt. Doet niet open.

Moet dat nog lang,
die tweespalt in mijn ziel:
ooit nog-nee nooit-of toch?

En die me kennen,
en zelfs mijn vrienden,zeggen:
ach hij met zijn god.

Maar van jou geen woord.
En dan
komt de dag:

over mij heengelopen
zal die ene staan,
de doodsvijand. Ik zal

zijn adem voelen in mijn gezicht,
en nog net hoor ik hem zeggen:
eindelijk.

Dan nog klamp ik mij vast aan jou,
of je wil of niet,
op ongenade of genade.

Ik zal ‘red mij’ roepen
of zoiets als
heb mij lief.

(Gebeden en Psalmen; 225)

Prompt gedroomd…

Mijn vrouw vond de vorige kop wel een beetje…  puberaal? Zo van ‘durf ik even..’. Prompt droomde ik vannacht over een heel progressieve gemeente, katholieke bisschop en een boeddhistische lezing en geen van allen gunde de ander het licht in de ogen/oren/mond. Iereen vond zichzelf ‘de beste’. Iedereen had het alleenrecht; exclusiviteit. Ik moest vreselijk huilen maar de bischop vond dat mijn tranen geen echte tranen waren…..

Natuurlijk tekent deze droom hetgeen bij mijzelf onderhuids speelt. Angst en onzekerheid. Vanochtend werd er zelfs toevallig de tekst uit de bijbel/Handelingen gelezen ‘dat er geen andere naam onder hemel was gegeven waardoor mensen behouden konden worden dan alleen Jezus Christus’…

Ben ik dan zelf geen christen meer? Natuurlijk wel; maar ik wil geen exclusiviteit meer. Geen traditie meer die het op voorhand beter meent te weten dan de ander. Of die god als aanhanger van de eigen ‘stam’ ziet. Is er dan geen ‘inclusieve’ mogelijkheid? Iets in de richting van een van de laatste liedjes van Tracy Chapman ‘Save Us All’?

I know Jesus loves me
And my God is good and great and true
But if pride goeth before the fall
I hope someones God will save us all
Save us all
And love the sinners too

Taal kan verb(l)indend zijn.. Speling

Zoals ik elders al zei dat ‘modellen’ van spiritualiteit verwarrend kunnen werken is dat ook zo met taal. Afgelopen week las ik een prachtig interview met een zekere Marieke Brouwer in het prachtige tijdschrift Speling en het nummer: ‘Vermoeden van het goddelijke’. Opgegroeid met de ‘gereformeerde’ kerktaal en vervreemd van haar geloof door de theologische taal hervond ze haar geloof in de door haar geleefde/beleefde spiritualiteit. Door in haar studie tot geestelijk begeleidster taal als ‘middel’ te gaan zien. In mijn eigen woorden gezegd: iedereen ‘vind God’ in de hem/haar ‘eigen’ taal. En dat kan een hele zoektocht zijn..

Een mooi voorbeeld van ‘verwarrende’ taal vind ik zelf het woord ‘innerlijk’; wat dat dan ook zou kunnen zijn. In een prachtig verhaal van Toon Tellegen keert de krekel zich binnenste buiten om vervolgens aan zijn vrienden te vragen wat zij zien: gevoelens? / gedachten? / en hebben ze een kleur? Niemand die iets vond natuurlijk… Dit woordenspel rondom de ‘innerlijkheid’ had op mij een prachtige relativerende werking. De woorden kregen daarmee in mijn beleving weer hun beweeglijkheid; ze leggen niets vast… Zo moet mijns inziens ook de taal over God en spiritualiteit zijn. Zij moet openen, verbinden en inspirerend zijn. Taal moet een poëtische, spelende en openende verwijzing zijn naar de ‘goddelijke werkelijkheid’. Speling staat daar in ieder geval vol mee…