Psalm 139: Bedde ik mij in de hel.. Gij zijt daar

(Voor de koorleider,
v. David, een musiceerstuk.)

ENE, gij hébt mij doorgrónd,
gíj zijt het díe mij ként.
Gij kent mijn zítten, mijn ópstaan,
hebt begrépen mijn dénken
van vérre.
Gij zijt de maat van mijn gáan en mijn líggen,
met al mijn wégen zíjt gij vertróuwd.
Want er komt geen zín op mijn tóng,-
zie ÉNE,
gij ként haar volkómen.
Van achter, van voren hebt gíj mij omklémd,
hebt ge op mij uw hándpálm gelégd.
Te wónderbaar is mij dit wéten,
te stéil,
ik kán er niet bíj!
Waar zal ik heen om uw Géest te ontgáan,
waarhéen
om voor uw áanschijn te vlúchten?
Als ik opstijg ten hémel, zijt gíj daar,
kies ik als bed de hél, zie, dáar zijt gíj!
Al zal ik uitslaan de vléugels van het mórgenrood,
al ga ik wónen
áchter de zée,
ook daar zal uw hánd mij geléiden,
zal mij gríjpen uw réchterhánd.
Zeg ik: ‘ach dúister, vermáal mij,
nácht
mag voor mij wórden het lícht!’-
dan is ook duister voor u niet te duister en nacht is lícht als de dág,
de dúisternis is áls het lícht!
Ja gij, gij hebt geschápen mijn níeren,
mij gewéven
in de schóot van mijn móeder.
Ik dank u,
dat ik ontzagwekkend wonderbaarlijk ben geschapen,
uw dáden zijn wónderen!-
mijn ziel
beséft dat bóvenmáte!
Mijn gebeente was niet verholen
voor u die mij in het verbórgene máakte,
ik werd gevlochten
in het óndersté der áarde.
Mij, vormeloos nog, zagen uw ogen:
op uw boekrol zijn ze alle geschreven,
dagen die wérden gevórmd,
toen nog géen van hén er wás.
Mij,
hoe kostbaar zijn uw gedáchten, o Gód,-
wát zijn hun hóofdstukken kráchtig!
Wil ik ze tellen, het zijn er méer dan het zánd;
ontwaak ik,
dan nóg ben ik sámen met ú.
Als gij, God, bóosheid ómbrengt,
mannen van blóed
van míj zullen wíjken!-
die van u zéggen: ‘een verzínsel!’,
uw náam ophéffen ten léugen.
Zal ik, ENE, uw háters niet háten
en wálgen van
wie tégen u ópstaan?
Ik haat hen, mijn háat is volstrékt,
tot víjanden
zijn zíj mij gewórden.
Doorgrond mij, God, en kén mijn hárt,
tóets mij
en kén mijn gedáchten!
Wil zien
of ik op een wég van smárt ben,
en léid mij
op een wég naar de éeuwigheid!

(De Naardense Bijbel; Pieter Oussoren)

Voor de koorleider. Van David, een psalm.

HEER, u kent mij, u doorgrondt mij,
u weet het als ik zit of sta,
u doorziet van verre mijn gedachten.
Ga ik op weg of rust ik uit, u merkt het op,
met al mijn wegen bent u vertrouwd.

Geen woord ligt op mijn tong,
of u, HEER, kent het ten volle.
U omsluit mij, van achter en van voren,
u legt uw hand op mij.
Wonderlijk zoals u mij kent,
het gaat mijn begrip te boven.

Hoe zou ik aan uw aandacht ontsnappen,
hoe aan uw blikken ontkomen?
Klom ik op naar de hemel – u tref ik daar aan,
lag ik neer in het dodenrijk – u bent daar.

Al verhief ik mij op de vleugels van de dageraad,
al ging ik wonen voorbij de verste zee,
ook daar zou uw hand mij leiden,
zou uw rechterhand mij vasthouden.

Al zei ik: ‘Laat het duister mij opslokken,
het licht om mij heen veranderen in nacht,’
ook dan zou het duister voor u niet donker zijn –
de nacht zou oplichten als de dag,

het duister helder zijn als het licht.

U was het die mijn nieren vormde,
die mij weefde in de buik van mijn moeder.
Ik loof u voor het ontzaglijke wonder van mijn bestaan,
wonderbaarlijk is wat u gemaakt hebt.
Ik weet het, tot in het diepst van mijn ziel.

Toen ik in het verborgene gemaakt werd,
kunstig geweven in de schoot van de aarde,
was mijn wezen voor u geen geheim.
Uw ogen zagen mijn vormeloos begin,
alles werd in uw boekrol opgetekend,
aan de dagen van mijn bestaan ontbrak er niet één.

Hoe rijk zijn uw gedachten, God,
hoe eindeloos in aantal,
ontelbaar veel, meer dan er zandkorrels zijn.
Ontwaak ik, dan nog ben ik bij u.

God, breng de zondaars om,
– weg uit mijn ogen, jullie die bloed vergieten –
ze spreken kwaadaardig over u,
uw vijanden misbruiken uw naam.

Zou ik niet haten wie u haten, HEER,
niet verachten wie tegen u opstaan?
Ik haat hen, zo fel als ik haten kan,
ze zijn mijn vijand geworden.

Doorgrond mij, God, en ken mijn hart,
peil mij, weet wat mij kwelt,
zie of ik geen verkeerde weg ga,
en leid mij over de weg die eeuwig is.

(NBV)

5 gedachten over “Psalm 139: Bedde ik mij in de hel.. Gij zijt daar

  1. Pingback: Spirituele vorming van studenten | Rinie Altena

  2. merkwaardig! ik leerde vroeger altijd: de hel, dat is, waar God NIET is.
    en wat zie ik hier? bedde ik mij in de hel. . GIJ ZIJT DAAR. (Dus toch?!)

    • Beste Dona,

      Omdat je mail niet ondertekend is met een duidelijke naam zet ik hem er niet onder (=goedkeuren). Maar ik was zelf ook duidelijk verrast toen ik het gedurende een ernstige crisis tegenkwam:http://riniealtena.com/boeken/wat-doe-je-als-niets-werkt/
      Zelfs de (herziene) statenvertaling heeft deze tekst:
      8 Al steeg ik op naar de hemel, U bent daar;
      of legde ik mij neer in de hel, zie, U bent daar.

      Maar denk ook aan de geloofsbelijdenis: ‘nedergedaald ter helle’ over Jezus. Er is dus hoop!

  3. Pingback: Spirituele vorming van studenten en Thomas Merton | Rinie Altena

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s